Column voor proefnummer Weekblad de Utrechter, november 2008
DE UTRECHTER IS EEN HORK
De Utrechter is onverschillig. De Utrechter is stug. De Utrechter lijkt, laten we het toegeven, geen makkelijk mens. De Utrechter relativeert tot op het bot. En is weinig subtiel, een beetje een hork die van schuppen houdt. Hoe hou ik het al zo lang bij hem en haar uit? Dat kan toch niet uitsluitend mijn luiheid zijn? Mijn gebrek aan durf om wat verderop te kijken in de wereld?
‘Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad,
een harde, benepen eigenzinnigheid,
die zich de maat van alle dingen waant;
een stugge sfeer, vol plotselinge volten’.
De stad en haar bewoners in 1935. Gezien door de dichterlijke ogen van Hendrik Marsman, geboren in Zeist. Ook toen was er al die zoektocht naar de collectieve ziel. Samen met componist/journalist Wouter Paap concludeerde dichter/advocaat Marsman ‘dat het levensmotto van de Utrechter kort en goed zou moeten luiden: Alles is niets’.
U kent de verongelijkte kankerpitten in de typetjes van Tineke Schouten en, soms, Herman van Veen. ‘Báártels’ van Rijk de Gooyer. U kent archetypische Utrechters als Herman Berkien en Anton Geesink. En natuurlijk Marco van Basten. Zijn karakter laat zich goed schetsen door wat ik laatst over hem hoorde opmerken: ’Het is geen makkelijke man. Hij is niet open.’
Niet makkelijk. Niet open. Zou in díé eigenschappen van de Utrechter de verklaring zitten voor mijn langdurige aanwezigheid hier? En begint daar mijn belangstelling voor deze stad? De mensen hier zijn niet open! Er is hier iets te ontdekken, te ontsluiten, te openen. Maak een ontdekkingstocht langs de mensen in de stad! Ontdek ook de plekken in de stad! Een combinatie van die twee is het mooiste.
Dan kom je de Utrechter tegen. In Café Van Wegen aan de Lange Koestraat. Het is 12 uur in de Koninginnenacht. Hij zingt daar met andere Utrechters het Wilhelmus. Alle coupletten.
Deze poging tot beschrijving van de volksaard van De Utrechter kan niet anders dan stranden. Zoals iedere zoektocht naar de collectieve ziel. De mensen hier zijn gemiddeld al net zo als de mensen overal ter wereld. En dus helemaal niet zo uitzonderlijk. Alle soorten en karakters die je elders aantreft, lopen ook hier rond.
En toch is er dat bijzondere aan deze stad. Dat mij als geboren en getogen Hagenees des te meer opvalt. Utrecht is een egalitaire stad. Veel meer dan de klassemaatschappij die de Hofstad is. Nergens zijn de klassetegenstellingen zelfs zo groot als daar.
Utrecht is meer gelijkgeschakeld en tegelijkertijd eindeloos gevarieerder dan Den Haag. Eindeloos veel gevarieerder ook dan de rest van Nederland. ‘De luister van het gewone’, luidde in 1994 de prachtige titel van een boek bij het afscheid van hoogleraar sociologie Gerrit Jansen. Hij is de chroniqueur van het gewone van de stad. Want dat is de stad Utrecht: ‘het gewone’. Dat samen gaat met het ‘geleerde’, met ‘het speelse’, met de grote ‘cultuur’. Samengavat ‘het luisterrijke’.
De stad heeft het dorpse. Het harde, smerige, vulgaire dat elke grote stad een beetje kenmerkt, vindt hier een zachte variant. Je ziet het aan de plaatselijke FC. De doorgezopen en doorgesnoven mafketels hebben uiteindelijk de macht in Galgenwaard niet gekregen. Waar ze dat bij Ado Den Haag al heel lang hebben.
Utrecht is dus geen verzameling karakters die tot een Grootste Gemene Deler van De Utrechter leidt. Utrecht is hoe al die karakters samen een bijzondere stad maken. Waar ik een beetje van ben gaan houden.
Een zondagmiddag, eind september. Met Martin (76), geboren in Zuilen, en 5000 anderen sta ik bij de start van de Singelloop. Terwijl wij de tien kilometer lopen, leest Gerrit Komrij in de Heerensociëteit aan de Mariaplaats een lofzang op de stad. Als wij na de finish een bakkie bier drinken op de Mariaplaats, verrast café Van Velsen ons met een amateur-dichter van niveau, Nanne Nauta. Ik voel me hier thuis. Terwijl de stad bruist van filmfestival, lange afstandslopers en cello spelende conservatoriumstudenten, wandel ik de Mariaplaats op. En vraag me af: waarom niet weg hier?
Wie, zoals ik ooit, schaatste over de singels langs Lucas Bolwerk en Sterrenwacht, heeft geen oog voor stugge stadgenoten. Wie, zoals ik, op een ijzig koude winteravond voor een verlaten snackbar in Zuilen door een groep niet-subtiele jonge Marokkanen werd toegezongen, gooit de deur niet makkelijk achter zich dicht. En vertrekken doe je evenmin graag uit de stad waar je op een late zomeravond met de kinderen in ons verlichte bootje onder de Jacobsbrug doorvoer. Waarna een horkerige binnenstadbewoner -als baliekluiver hing hij over de reling- ons idolaat toeschreeuwde hoe schoon dit tafereel was.
Van de Mariaplaats wandel ik de Zadelstraat in. Hier werkte mijn opa een eeuw geleden een paar jaar als schoenmaker. Íéts van mijn wortels ligt hier dus onder asfalt en straatstenen. In deze straat werd op nummer 36, in 1910, Gabriël Smit geboren. Een van de velen die schitterend, niet uitsluitend melancholisch, over deze stad schreven. In de Top 100 van de Utrechtse literaire Canon staat Gabriël Smit op 62. De man van ‘Liefde is pijn’: ‘telkens gezweept verlangen - en nederlaag in onvolkomenheid’.
Geen idee hoe stug en horkerig Gabriël Smit was. Niet. Vermoed ik. Gezien zijn schitterende gedichten. Utrecht was voor hem decor. In dat decor dichtte hij over zijn leven, zijn geloof en de mensen om hem heen. Zijn zo jong verloren moeder, zijn eerste zoenen aan de singel, zijn gang door het geloof. Is Gabriël Smit de ware Utrechter? Een toonbeeld van subtiliteit die de stad benut als hij zijn dagelijkse en niet zo dagelijkse leven leeft.
Deze stad bepaalt je leven niet. Maar troosten kan deze bijzondere stad goed. Bedacht ik mij ooit, toen ik, een beetje miserabel, op de Maliebrug stond. En over het vlakke singelwater in de richting van de Sterrenwacht keek...
Cees Grimbergen
(Journalist. Woont langer in Utrecht dan hij in zijn geboortestad Den Haag verbleef. Schrijft een wekelijkse column, op woensdag, voor AD/Utrechts Nieuwsblad)
(Bijdrage aan het Nul-nummer van de Utrechter, november 2008)







